Laatste nacht in Gisborne

Na ongeveer drie maanden is het dan eindelijk zo ver: Kees en Kay zijn van alle Nederlandse jongeren af. Morgen vliegen Suus en ik naar Christchurch. Daar zien we over een paar dagen Jaap en Luuk weer, die onze bus daarheen gereden hebben. Maar wat was er ook alweer allemaal tot nu toe gebeurd?

Mijn laatste bericht was nog van voor kerst (sorry!) en sinds dat moment heb ik niet veel stil gezeten. Met kerst zijn we veel bij vrienden van Kees en Kay geweest. Luuk was er toen ook nog, en Viviën, de dochter van Dinie, een goede vriendin van Kees, was net in Gisborne aangekomen. Bij de kerstfeestjes waar we waren hebben we meer mensen van onze leeftijd ontmoet, en op tweede kerstdag zijn we met een aardige groep mensen op stap geweest. Ook zijn we met Kees naar het strand geweest, en hebben we een poging gedaan om met de surfkajak een crayfish pod uit te zetten. Dat ging niet zo goed, dus geen crayfish gevangen helaas. Maar wel een hele fijne dag gehad! Jammer genoeg wel wat verbrand, maar ach.. Als je tussen kerst en oudjaar aan het strand te lang in de zon zit, mag je eigenlijk niet klagen.

Op oudjaarsnacht ben ik met Luuk naar Rhythm and Vines geweest. Dat is een groot festival (ca 12.000 mensen dit jaar) vlak bij Kees, net buiten Gisborne. Voor de kenners: vanaf de Back Ormond road gezien, achter Grays’ bush. Op dat feest hebben we ons goed vermaakt tot in de late uurtjes. Kees was alweer op toen wij thuis kwamen. Op nieuwjaarsdag heeft Kees een nieuwe ervaring opgedaan: zijn eerste 3D film gezien. Daarna een vlug hapje gegeten in de stad en vervolgens naar het vuurwerk gekeken. Waarom dat op het einde van 1 januari was en niet op het begin weet ik niet, maar het was wel mooi.

In 2016 zijn we ook begonnen aan Pim’s House, ofwel Pim’s huske vor Suus, ofwel Kees’ New Office, ofwel Kees’ Place With ABSOLUTELY NO TELEVISION! Kort gezegd, een hut/huisje van boomstammen van ongeveer 3 bij 5 meter. Er moet een bureau, bank, kacheltje en bed in kunnen, met eventueel een wasbak. Zo veel mogelijk ramen, maar ook moet het een aardig deel van de houtvoorraad opmaken. Een goed excuus om gewoon lekker te bouwen. En als je even geen goede balk kunt vinden, ga je gewoon een boom omzagen. Zoals iedereen nu wel begrijpt hebben Kees, Luuk en ik daar een leuk begin van het jaar aan gehad.

Rond 5 januari was de zomervakantie wel weer afgelopen en moesten we weer het bos in. Blijkbaar gebeuren er na het zomerreces de meeste ongelukken in het bos, dus het nieuwe jaar begon met een Safe Start ontbijt georganiseerd door een groot bosbouw bedrijf. Zoiets is natuurlijk vragen om problemen. Aan het einde van de dag kreeg Kees een telefoontje dat Hannah in het bos uitgegleden was en in haar val in de ‘slasher’ gegrepen had, met als gevolg dat ze een flinke snee in twee vingers had, tot op de pezen. Op het moment van schrijven zijn die vingers nog steeds niet goed geheeld en is Hannah nog niet in het bos terug geweest. Daarom moest ik haar vervangen en eigenlijk sinds dat moment is er niet veel meer aan het huis gebeurd. Daarom is het jammer genoeg nog niet af, en zal Kees het zelf af moeten maken.

Op 8 januari zijn Luuk, Viviën en ik vertrokken naar Taupo, om vanuit daar de Tongariro crossing te doen. Ik was nog niet in zo’n goede conditie, waarschijnlijk omdat ik gewoon te veel gewerkt had. Dus bij aankomst in het hostel ben ik meteen gaan slapen, terwijl de anderen het nachtleven van Taupo zijn gaan verkennen. Omdat we drie dagen de mogelijkheid hadden om de crossing te lopen, besloten we de eerste dag niet te gaan. Ik was niet fit en de andere twee hadden ook wat slaap in te halen, dus zijn we naar een thermal park geweest. Daar is te aanschouwen hoe diep uit de aarde heet water opborrelt en zo heel bijzondere dingen creëert. Van bubbelende modderpoelen tot warm-water-watervallen, ze hebben het allemaal.

De dag erna was het te slecht weer om de crossing te doen, dus  zijn we weer in de omgeving van Taupo op zoek naar iets leuks gegaan. Omdat ik aan het begin van de Nieuw-Zeeland reis al in Taupo geweest was, wist ik dat het leuk was om naar de Huka falls, de dam in de rivier vanuit het meer van Taupo en naar een hot spring te gaan, dus dat hebben we allemaal nog maar een keertje gedaan. De derde dag konden we wel naar de Tongariro crossing. Helaas was het weer nog steeds niet al te best en was het dus koud en bewolkt. Maar gelukkig is de crossing ongeveer 20 kilometer lang, dus genoeg te wandelen om warm te blijven en af en toe tussen de wolken door te kunnen zien. Al met al was het zeker de moeite waard!

Vanaf Taupo is Luuk naar Wellington gegaan, om daar een nieuw busje te kopen. Ondertussen had de Mitsi, a.k.a. The Black Pearl, het begeven en noodgedwongen achtergelaten door Jaap en Lisa. Maar de trip van Luuk was succesvol en hij heeft Boris gekocht. Boris is een Mitsubishi L300 die ouder is dan ik en al een keer of 5 rond de aarde heeft gereden, dus we zijn er vrij zeker van dat Boris geen last meer heeft van kinderziekten. Bijkomend voordeel is dat de bus volledig is ingericht voor backpackers zoals wij.

Toen Viviën en ik terug kwamen in Gisborne heb ik mijn tas eigenlijk niet uit hoeven pakken, want het volgende avontuur was alweer gepland. Kees had een grote job gekregen in Masterton, een uur of 7 rijden vanaf Gisborne. Daarom ben ik met Kees en Philip, een 19 jarige student Forestry Engineering, daar voor een dag of 10 naartoe gegaan. Na een tussenstop met overnachting in Napier en wat voorbereidend werk in Masterton zijn we het bos gaan verkennen. Dat bos is 12.000 hectare groot, anderhalf uur rijden vanaf Masterton. We wisten niet of we echt in het bos konden blijven slapen, maar Kees was er achter gekomen dat er een paar huizen in de buurt waren en dat er een jagershut midden in het bos zou moeten staan. De huizen waren helaas niet beschikbaar (ondanks dat ze niet bewoond waren) maar we waren welkom in de jagershut. Dat was wel een heel erg bijzondere ervaring. De hut was voorzien van twee stapelbedden, een simpel keukentje, een tank om regenwater op te vangen en een bbq. Dus geen elektriciteit, niet genoeg water om lekker te douchen en de wc was een hokje ongeveer 40 meter vanaf de hut met een gat in de grond. Wat wil je nog meer?

Na twee dagen is Kees terug naar Gisborne gegaan en ondertussen waren Philip en ik goed op pad om zo veel mogelijk van de 250 plots af te krijgen. Het stramien was duidelijk: opstaan als het licht begint te worden, met de quad naar een deel van het bos rijden waar we de plots gaan doen, werken tot je op bent, weer terug rijden, iets simpels te eten klaarmaken en voor het donker weer op bed. Wanneer mogelijk heb ik me in de rivier gewassen (wat eigenlijk best fijn was, in tegenstelling tot op Knapdale hoef je in de rivier niet zuinig te zijn met water) en  iedere drie dagen zijn we even naar de stad gegaan om boodschappen te doen en de baas bij te praten over de voortgang. Na 10 dagen hadden we 72 plots af en was het de hoogste tijd voor mij om weer terug naar Gisborne te gaan. Met de bus, waarvan de halte 2,5 uur rijden vanaf de hut was, naar Napier en daar werd ik opgehaald door Hannah, die min of meer toevallig in de buurt was. En zo was ik op 24 januari weer op Knapdale. Geen dag te vroeg, want op 25 januari is Suus aangekomen.

En daar was ik wel aan toe, want ondanks dat ik zo druk bezig ben geweest met werken en avonturen beleven, heb ik haar wel gemist. Suus had een lange (haha, alsof er korte vluchten naar Nieuw-Zeeland bestaan..) vlucht gehad en de eerste dag dat ze hier was heeft ze ook niet veel gedaan. In de dagen daarna is ze langzaam over de jetlag heen gekomen en kennis mogen maken met het leven wat ik de afgelopen maanden geleefd heb. We zijn ondertussen naar het strand geweest (Wainui), naar de waterval gelopen, en een paar biertjes gedronken bij de visclub. Vandaag zijn we naar Lake Waikaremoana geweest. Dat was met twee en een half uur rijden iets verder dan we dachten, en het was dus mijn eerste lange rit als bestuurder van de auto (ohja, ik heb mijn rijbewijs gehaald! Het is een learners licence, die krijg je hier als je een theorie toets gehaald hebt. Ik mag nu zolang er iemand met een volledig rijbewijs naast me zit en met gele bordjes met een L op de auto gewoon rijden). Het meer was erg mooi, maar omdat we vanochtend te lang in bed gelegen hebben konden we er maar een stukje omheen lopen voor dat we weer terug moesten. Snel een frisse duik genomen en daarna terug.

Ik ben vast van alles vergeten te vertellen, maar in 1.555 woorden kun je natuurlijk ook niet zo veel kwijt. Dus om dit lange verhaal nog een klein beetje langer te maken: We maken het nog steeds erg goed hier, en het échte reizen gaat bijna beginnen.

No vacancy

Dat staat op het bord van de Knapdale Ecolodge aan het begin van de weg. De vertaling klopt natuurlijk niet, maar ik moet er wel steeds aan denken: geen vakantie hier. Kort gezegd: het is prachtig hier, een hele fijne plaats om te zijn, het eten is super, maar er moet hard voor gewerkt worden. Dat is ook een beetje de reden dat het zo lang duurde dat ik iets heb kunnen schrijven.

Mijn laatste verhaal eindigde in Japan. Vanaf Tokyo zijn we naar Guanzhou, China, gevlogen. Daar hadden we een beetje een saaie tussenstop. We moesten daar vijf uur wachten, in een terminal waar niet veel te doen was. Ondertussen speelde Nieuw-Zeeland de halve finale van de Rugby Worldcup, maar dat was natuurlijk niet te zien in die terminal. Het tweede deel van de vlucht ging vlotjes, maar we waren toch blij om uiteindelijk in Auckland aan te komen. Daar moesten we lang in de rij voor de bagage controle wachten. Eerst om ons formuliertje af te geven, waarop we aan moesten geven dat we kampeerspullen bij ons hadden. Dus, naar de volgende rij om die kampeerspullen te laten controleren. Daar hebben we ruim een uur moeten wachten. Waar we echt van stonden te kijken waren de enorme hoeveelheden eten sommige mensen (lees: alle Chinezen) mee nemen, en vervolgens de helft er van in moeten leveren omdat het eten het land niet in mag. Onze tentjes moesten gescand worden in een andere ruimte, maar omdat het zo druk was kon dat nog wel even gaan duren. Dus nadat we onze tentjes afgegeven hadden mochten we doorlopen om een hapje te gaan eten, en na een half uurtje konden we de tentjes ophalen. Eindelijk konden we op pad richting Auckland.

Dat deden we met een bus. Die bracht ons naar het centrum, waar we een hostel geboekt hadden. Daar bleek dat de helft van het personeel gewoon Nederlands is, net als veel van de gasten. Verder waren er veel Duitse backpackers, dus het voelde nog niet echt alsof we aan de andere kant van de wereld waren. Het hostel was prima, maar wel druk. We konden ook niet allemaal op dezelfde kamer liggen. Maar de naastgelegen bar maakte veel goed. Jaap had het na een nachtje in Auckland wel gehad, hij wilde door naar de natuur. Hij ging proberen om liftend zo dicht mogelijk bij natuur te komen, maar hij is in Hamilton, vlak bij Auckland gestrand. Uiteindelijk heeft hij een bus gepakt. Luuk en ik vonden ook dat in Auckland nog niet zo gek veel te zien was, maar we zijn toch nog een tweede nacht gebleven. Lekker rustig aan gedaan en een beetje door de stad geslenterd. Wij hebben ook geprobeerd te liften, maar ik denk dat we toch iets verkeerd deden. Na een uur hebben we toch maar gewoon een buskaartje gekocht. Luuk ging naar Mount Manganui, en ik heb een kaartje naar Taupo gekocht. Waarom Taupo? Geen idee. Maar het was best leuk. Na de eerste nacht ben ik op de fiets naar een klein riviertje geweest wat een paar keer per dag een wild kolkende rivier wordt, omdat dan de sluis van het meer van Taupo open wordt gezet. Iets verderop ben ik in een hotspring geweest en daarna met de fiets over een mooie mountainbike route weer terug gegaan naar het hostel. Daar nog wat films gekeken en de volgende dag ben ik met de bus naar Rotorua gegaan. Luuk was daar toen ook al, en Jaap kwam later die middag ook aan. Snel even wat te eten gemaakt, en daarna op stap geweest. We gingen naar een bar waar ik zes jaar geleden ook geweest ben, maar die was redelijk leeg. Toch maar een biertje gepakt, en iets later kwam er toch een aardige groep mensen binnen. Twee jongens daarvan hadden we ook al in Auckland ontmoet, dus dat was wel grappig. We hebben het niet te laat gemaakt, en de volgende dag zijn we met de bus naar Gisborne gegaan. Dat was een rit van een uur of vier, waarvan je het grootste deel van de tijd geen mobiel bereik hebt. Af en toe kom je door een gehucht, en eigenlijk in het enige plaatsje op de route, Opotiki, werd een tussenstop gemaakt. Aangekomen in Gisborne stond ome Kees al op ons te wachten. Het was fijn om hem te zien, en zeker aankomen op Knapdale was een genot. Want na drie weken reizen waar we misschien maar een keertje drie nachten op dezelfde plaats zijn geweest, was ik wel toe aan een soort thuis.

En sinds die dag hebben we amper nog vrije tijd gehad. Onze afspraak was om twee dagen voor Kees en Kay te werken, om zo voor ons eten en verblijf te betalen. Daarnaast hadden we binnen een paar dagen al een baantje op de wijnvelden. Dat is met hard werken 15 Nieuw-Zeelandse dollars per uur verdienen. Dan denk je wel twee keer na om in de kroeg een biertje van 8 dollar te bestellen. Maar de trend was gezet: iedere dag om een uur of zes opstaan, om zeven uur op de wijnvelden, om drie uur of half vier weer terug op Knapdale om daar weer verder te werken. Want vijf dagen per week op de wijnvelden, en een dag weekend, laat maar 1 dag over om te werken op Knapdale. Dus die tweede dag moeten we door de week heen verdienen. Het werk in de wijnvelden heb ik maar ongeveer twee weken gedaan. Daarna gaf Kees aan dat hij zoveel werk had in het bos, dat ik voor zijn bedrijf ben gaan werken: Forest Measurement. Dus ik ben ondertussen opgeleid tot Forest Technician. Mijn werk is om samen met een collega (voor wie haar kennen, meestal ga ik met Hannah) het bos in te gaan, en op vooraf bepaalde plaatsen een plot uit te zetten. Dat is niet meer dan met behulp van GPS naar het punt toe lopen, de helling van het land meten, daarmee de straal van de cirkel die we uit gaan tekenen bepalen, en binnen die cirkel alle bomen te tellen en beschrijven. De data gaat dan de computer in, en die data wordt dan verkocht aan de klant. De klant kan dan bijvoorbeeld bepalen hoe het bos er voor staat en uitrekenen hoe veel hout er van welke kwaliteit in zit.

Dat is een leuk baantje. Lekker het bos in (vooral als het goed weer is, de regen is iets minder), met leuke collega’s op pad. Alleen sta ik wel de heleweek om 4.15 sochtends op. Dan wordt ik om 5 uur opgehaald, en zijn we om 6 uur in het bos. Daar werken we dan tot een uur of drie in de middag, om 4 uur thuis, eventjes pauze, dan nog een uurtje of twee op Knapdale werken, avondeten, afwassen en weer naar bed.

Dan zijn er nog de functies. Dat kunnen lunches zijn voor een groep van 15 mensen, het kan diner zijn voor 70 mensen, of zoals gisteren, een bruiloft voor 175 mensen. Dat zijn de langste dagen. Na een week in het bos, op zaterdag (soort van) uitslapen tot half 7. Vanaf 7 uur gewerkt tot 1 uur snachts: opruimen zodat de bussen door de oprijlaan kunnen, hout stapelen, met de hogedruk reiniger aan de slag, bar opbouwen, een stukje heg uit de tuin halen, hapjes serveren, drank serveren, eten serveren, dansvloer vrij maken, glazen ophalen, glazen afwassen en nog 100 andere klusjes. Daarna eindelijk vrij. Nog een paar biertjes gedronken en naar bed. Ongeveer twee keer zo lang geslapen als gemiddeld hier, en vandaag lekker niets gedaan.

Gelukkig is het bijna kerst en oud en nieuw, want dan hebben we een paar vrije dagen. Ik ben wel toe aan vakantie!

Japan, deel twee

Zo, ik heb weer even tijd om wat te typen. Ik was gebleven in Nagano, waar we in een backpackers weer lekker konden slapen na het kamperen in de bergen. De eerste dag daar zijn we naar Togakushi gegaan. Dat is een uurtje in de bus zitten vanaf Nagano, een stuk hoger op de bergen. Daar zijn we eerst naar een Ninja museum geweest, wat onverwacht leuk was. De topattractie was een Ninjahuis: een soort escape-room Japanese style. Daar hebben we misschien wel een uur gezocht naar verborgen deuren en luiken, achter tapijtjes en muren die ineens weg kunnen draaien.

Na het Ninjamuseum zijn we naar een shrine in de buurt gelopen. Dat was een erg mooi pad. Daarlangs stonden enorme bomen, zo dicht op elkaar dat het bijna een muur van tientallen meters hoog was. Met de zakkende zon was het een prachtige wandeling. De tempel waar we uiteindelijk bij uitkwamen was een beetje teleurstellend, maar het pad was erg de moeite waard. Daarna via een meertje nog een wandeling terug naar het busstation gemaakt. Tijdens die wandeling hebben we denk ik een van de mooiste uitzichten van Japan gehad. Dat stukje verzachtte de pijn van het missen van de herfstvakantie in de Ardennen enorm 😉

Terug in Nagano zijn we daar met iemand van het hostel op stap geweest. Die heeft ons wat leuke Japanse spelletjes geleerd, waar na een tijdje bijna de hele kroeg aan mee deed. De volgende ochtend zijn Jaap en Bram naar een groep apen gegaan ergens buiten Nagano, op facebook zijn al wat foto’s voorbij gekomen. Luuk en ik zijn naar een Sumo toernooi geweest. Dat was heel bijzonder: het was bijna meer een ritueel dan een sport. In de vier uur dat we daar zaten, hebben we in totaal ongeveer 10 minuten Sumo gezien, en verder wat zingende en dansende worstelaars, en een 20 minuten durende Sumo slapstick voorstelling die vooral de eeste 5 minuten leuk was. Die avond waren Luuk en ik een stuk eerder terug in Nagano (omdat de apen waar Jaap en Bram heen waren pas in de middag van de berg af en naar de rivier kwamen), dus zijn Luuk en ik vast naar Matsumoto gegaan.

In Matsumoto sliepen we in een oude misosoep fabriek omgebouwd tot hostel. Dat betekende vooral erg kleine deurtjes om niet te veel warmte te verliezen. Daar moesten wij dus bijna kruipend door. De volgende ochtend zijn we naar het kasteel in Matsumoto gegaan. Dat is een van de weinige Japanse kastelen die er nog zo goed bij staan, maar dat is vooral omdat dit kasteel ook nog nooit aangevallen is. Het paleis wat er naast stond was helaas door een keukenbrand in as gelegd.

Vervolgens zijn we weer op avontuur gegaan: kamperen in Kamikochi in de Japanse alpen. Eerst hebben we een nachtje in het dal geslapen. Dat was op 1500 meter, lekker beschut in een bos. Uiteraard was het weer vroeg donker, en het restaurant/kroeg/winkel was ook al vroeg dicht dus zijn we ook vroeg gaan slapen. In Nagano hadden we een gastankje gekocht, dus het koken ging een stuk makkelijker dan de vorige kampeertrip. Vlak na zonsopgang hebben we alles weer ingepakt om met volle bepakking (ongeveer 15 kg dus) de berg op te lopen. Op 2100 meter was daar een berghut. De wandeling was niet lang, maar het pad was wel erg steil. Dus daar deden we ongeveer twee en een half uur over. Bij de berghut was geen mooie Oostenrijkse alpenweide, maar gewoon Japanse rotsen en stenen. Op 150 meter van de berghut waren wat kampeerplaatsen die redelijk vlak en iets te klein waren en het geheel was niet erg beschut. Maar, de stoere mannen die we zijn, zonder klagen hebben we daar ons tentje opgezet en zijn we verder naar boven gaan lopen, richting de top van de berg op 3100 meter. Zonder die zware tassen ging dat een stuk beter, maar na ongeveer drie kwartier ben ik terug gegaan, omdat mijn knieen wat begonnen te vervelen en stiekem omdat ik het steile pad wat slechter en slechter werd niet erg leuk vond. Dus ik heb bij in de berghut lekker een stuk of 7 potjes patience (pasjans) gedaan, en heb met wat flinke stenen bij de tentjes wat stoeltjes en een tafeltje gemaakt. Toen de rest ook terug was van de top (was erg mooi van wat ik gehoord heb) zijn we een potje Munchkin gaan doen en daarna in mijn mooie zithoek een paar pannetjes rijst gekookt. Uiteraard weer veel te vroeg donker, dus vroeg naar bed. Na een goede nacht kwamen we er achter dat het toch wel erg koud geweest was: de binnenkant van de tent was helemaal bevroren en ook de tassen (die we buiten de tent gelegd hadden om wat meer ruimte in de tent te hebben, en er is geen Japanner die daar iets mee zou doen, laat staan op een verlaten berg) waren ijsklontjes. Snel wat water aan de kook gebracht voor wat instant noedels, om vervolgens alles in te pakken en naar beneden te lopen. Vanaf het natuurpark weer terug met de bus en daarna trein naar Matsumoto, en vanuit daar weer door naar Kyoto.

Daar aangekomen zijn we weer naar het volgende hostel gelopen. Dat was ongeveeer 1,5 kilometer vanaf het station, en er hing meer de sfeer van een hotel dan van een hostel. Maar het was voor de prijs van een hostel en dat was het belangrijkste 🙂 De volgende ochtend zijn we Kyoto in gegaan. En eerlijk is eerlijk: ondertussen begonnen alle tempels en shrines wel wat op elkaar te lijken. Maar het leukste was een stukje bos waarin over de paden zo veel oranje Japanse poorten stonden dat het haast een tunnel was. Ik heb ergens zien staan dat het pad 1.000 bogen had, en ik heb ze niet nageteld, maar het zal zeker in de buurt komen. Ook was er een bamboe bos, wat ook wel bijzonder is. Aan het einde van de middag zijn we naar het volgende hostel gegaan, wat goedkoper was, minder luxe, maar ook gezelliger. ‘S avonds hebben we het glaswerk van Kyoto nog maar eens bekeken, en de volgende dag hebben we nog lekker door Kyoto gezworven. Twee dingen die erg bijzonder blijven is het aantal vending machines op alle denkbare plaatsen waar heel betaalbaar koude en warme dranken te halen zijn, en het aantal (basisschool)scholieren die in groepen bij de toeristische trekpleisters langs komen. Alsof iedereen drie keer per week een schooluitje heeft.

Ondertussen zijn we in Nara, de stad van de herten. Nara is een stuk kleiner en rustiger, wat eigenlijk wel fijn is. In het park en de straten er om heen lopen allemaal herten. Die zijn een beetje zoals de duiven op de Heuvel: trekken zich niets van mensen aan en eten alles wat los of vast zit. Dat was een leuke afwisseling van alle tempels. Vandaag hebben we nog een stukje door Nara gelopen, maar erg interessant was het niet meer dus hebben we het eerste wat op tripadvisor stond gedaan: een sake-proeverij. Dat was wel leuk, maar van niemand zal sake de lievelingsdrank worden. Het is iets sterker dan wijn, kleurloos en ruikt niet heel sterk. Er zit wel verschil tussen de sakes, maar zoals gezegd, wij zijn niet razend enthousiast. Daarna hebben we een hoogtepuntje meegemaakt: Sushi eten! Voorwaarde was een restaurant met lopende band, en die was er een niet te ver van het hostel. Luuk heeft gewonnen met 13 bordjes, daarna Jaap met 12 en ik had er 11. Bram moest bij een magere 6 bordjes afhaken wegens een afgezwakte eetlust zonder duidelijke oorzaak. Helaas hangt aan zoveel bordjes sushi een aardig prijskaartje, maar uiteindelijk was het toch nog iets goedkoper dan een all-you-can-eat in Nederland.

We zijn nu echt aan het afronden in Japan: vanavond nog een nachtje in Nara, en dan met de trein terug naar Tokyo. Onderweg stappen we bij Fuji misschien nog even uit, maar er is daar weinig op te wandelen en moeilijk berijkbaar met onze treinpassen, dus we gaan de bekende berg van een afstandje bekijken. Dan nog een nachtje Tokyo, en dan weer het vliegtuig in.

Mijn vroege conclusie: Japan is erg mooi, vooral de natuur. De eerste 15 tempels waren indrukwekkend, iedere 5 tempels daarna wordt het minder. De steden zijn belachelijk groot, en de mensen bijzonder vriendelijk. Het eten is wisselend, sommige dingen zijn heel erg lekker (vooral de sushi), maar minstens zo veel dingen ga ik thuis niet klaarmaken. Kortom geweldig, maar het is tijd om naar Nieuw-Zeeland te gaan.

Tokyo, Nikko en Nagano

Na een redelijk relaxte vlucht zijn Jaap, Luuk en ik in Tokyo aangekomen. De bagage kwam ook goed aan, dus we konden al snel op zoek naar Bram die al een groot deel van de dag in Tokyo was. Via twee treinen, een metro die niet stopte waar we moesten zijn en dus nog een extra metro, kwamen we bij de kruising waar we Bram zouden ontmoeten. Hij kwam ons daar ophalen en bracht ons naar het kamertje wat we via AirBnB geboekt hadden. Het bleek een klein hokje te zijn met een wasbak, een kleine ruimte met douche en toilet en twee hoogslapers. Precies niets meer dan we nodig hadden dus.

Nadat we de spullen afgezet hebben, zijn we wat te eten gaan zoeken. Ondertussen was het een uur of 8 ’s avonds, dus daar waren we ook wel aan toe. We hebben ongeveer een kwartiertje door stadsdeel Shinjuken gelopen voordat we een keuze gemaakt hadden. Die is gevallen op een klein eettentje met drie tafeltjes waar de kok verse noedels aan het maken was. Daar kregen we allemaal een flinke bak noedelsoep die best goed naar binnen ging.

Daarna was het tijd om een biertje te drinken. Bram had al een buurt met heel veel kleine kroegjes gevonden, dus daar gingen we heen. Dat waren echt kleine kroegen: gemiddeld konden er, naast de barman, een man of 5 in. Omdat we allemaal toch wel moe waren hebben we het niet laat gemaakt en zijn we vrij snel al weer terug naar onze slaapplaats gegaan.

De volgende dag hebben we heel wat van Tokyo gezien. Eerst zijn we naar Electronic City gegaan. Dat is een hele wijk met allemaal electronica winkels. Leuk was een soort overdekte markt met ik weet niet hoeveel kleine winkeltjes met allerlei elektrische componenten: van stekkerblokjes (3 gekocht) tot de meest vreemde audio connectoren. Ook zijn we in een game-toren geweest: een rood blok van een verdieping of 5 met allemaal games. Luuk was duidelijk het beste. Daar in de buurt hebben we ook geluncht, en dat was misschien wel de beste maaltijd tot nu toe: een flinke kom rijst, wat miso soep, een berg sla en een stuk gepaneerd/gefrituurd flees met een paar vreemde sausjes. Met gevulde maag zijn we naar Ueno park gegaan, en daarna zijn we naar een stadsdeel geweest waarvan ik de naam zo niet meer weet, maar wij hebben het omgedoopt tot het Hippie district. Achteraf was dat minder terecht dan we dachten. Daar waren allemaal kleine winkeltjes van alle ambachten en een aantal mooie grote tempels. Het werd alweer vroeg donker en toen de schemering in viel (rond een uur of 5) zijn we naar Roppongi gegaan om daar weer wat te eten en op stap te gaan. Daar zal ik kort over zijn: we hadden een paar taxi’s nodig om allemaal thuis te komen.

De volgende dag moesten we op tijd weer uit het kamertje zijn en zijn we naar Yoyogi park gegaan. Dat was erg groot: flinke grasvelden met bossen er om heen en nog een aantal tempels en tuinen. Daar hebben we een groot deel van de dag lekker gezeten voordat we op zoek zijn gegaan naar onze volgende slaapplaats. Dat was echt zoeken, omdat het concept van adressen hier nog niet helemaal doorgrond is. Toen we binnen een kilometer van het hostel waren hebben we het nog drie keer moeten vragen. Uitendelijk toch gelukt en hebben we snel onze spullen afgezet om wat te eten te zoeken. Dat is snel gelukt: twee deuren verder zijn we naar binnen gegaan. Daar was helemaal niets in het Engels en ook het personeel sprak niets anders dan Japans. Dus we hebben duidelijk gemaakt dat we allemaal drie verschillende gerechtjes wilden en dat viel niet tegen. We kregen wel de drie duurste dingen, maar ze waren ook lekker (behalve de dingen die we er als voorgerechtje bij kregen. Geen idee wat het was, maar ik heb het niet helemaal opgegeten). Het was wel wat weinig dus hebben we in de supermarkt nog maar wat noedels gehaald en die in het hostel opgegeten. Daar hebben we nog een potje Munchkin gedaan en weer optijd naar bed.

De volgende ochtend zijn we naar de eerste camping in de buurt van Nikko gegaan. Eerst weer metro, daarna een super snelle trein, daarna een lokale trein en als laatste nog een bus. Daar stapten we iets te vroeg uit, maar toen we een beetje verdwaald richting een hotel liepen stopte er een taxibusje voor ons die ons wel naar de camping wilde brengen. Dat was helemaal gratis en de bestuurder was erg blij dat hij ons kon helpen. Dat is overigens iets typisch Japans: de mensen zijn erg vriendelijk. In Tokyo hoef je maar 30 tellen op een kaartje te kijken voordat iemand je aanspreekt en je wil helpen. Dat lukt vaak niet heel goed, omdat ze niet veel Engels spreken hier. Maar terug naar de camping. Die lag aan een mooi meer, en het was er behoorlijk druk. Blijkbaar was het een lang weekend en dit was precies het weekend dat alle Japanners de kleurende blaatjes op de foto willen zetten. Dat hebben we vooral de volgende dag gemerkt toen we de bus wilden pakken naar de volgende camping. Die was ruim drie kwartier te laat en toen we eindelijk in konden stappen, reden we nog maar stapvoets. Dus het was een behoorlijk lange rit naar Yumoto Onsen. Dat is een klein wintersport plaatsje compleet met vervallen hotels. De camping was niet veel meer dan een ongelijk veld zonder beschutting en een overkapping met een stuk of 10 wasbakken en vuurplaatsen. Na aankomst zijn we meteen de tentjes op gaan zetten en naar een waterval gelopen. Daarvoor moesten we eerst om een meertje heen, langs de waterval naar beneden en daarna over plankjes door het grote beren bos. Helaas hebben we geen beren gezien (behalve elkaar, haha, die grap hebben we ook een paar keer gemaakt) maar er waren wel overal waarschuwingen voor. Ik denk dat we een kilometer of 15 gelopen hebben. Daarna weer terug naar de tentjes om wat eten te maken bij de vuurplaatsen. Met vuur hadden we de avond vantevoren al geoefend, dus tegen etenstijd hadden we zo een lekker vuurtje om een pannetje rijst op te kunnen koken. Ondertussen was het alweer donker (de dagen zijn kort hier) en begon het aardig te waaien. Dus lekker bij het vuurtje zitten was er niet bij, en zijn we snel naar bed gegaan.

Over het slapen: wie mijn tentje gezien heeft, zal hopen dat het tentje van jaap een stuk groter is. Dat is dus niet. Daarom slapen Luuk en ik in mijn tentje met twee grote rugzakken en de 4 kleine tassen, en liggen Jaap en Bram met twee grote tassen in het tentje van Jaap. Mijn dunne matje ligt niet slecht, en mijn slaapzak is heel lekker warm. Zeker met die koude wind was dat wel nodig.

De volgende ochtend was Jaap duidelijk als eerste wakker. Hij kon Bram niet wakker krijgen, maar gelukkig reageerde Luuk wel: “Ik blijf nog even liggen…”. Niet dat Luuk dat een paar uur later nog wist, en ik heb daar al helemaal niets van mee gekregen, dus nadat Jaap alweer een rondje om het meer gelopen had kwam hij terug om te vragen wie er nu wel mee ging lopen. Toen reageerde ik alleen: “Ben net wakker, dus als je wilt, ga maar vast”. Dat was rond half  7 sochtends. Vervolgens nam Jaap al de routekaarten mee en was voor de hele dag weg. Een uur of twee later waren wij ook zo ver, en zijn we dezelfde kant op gegaan als Jaap. Het was alleen een beetje jammer dat na anderhalf uur lopen het pad wel op hield. Na een half uur zoeken zijn we maar terug gegaan, om tot de conclusie te komen dat we vlak buiten het dorpje al een pad gemist hadden. Toen was het te laat om nog de berg op te lopen, dus zijn we in het dorpje op zoek gegaan naar de hot springs. De enige hotspring die we buiten konden vinden was niet geschikt om zo in te springen, dus hebben we het goedkoopste hotel met een hotspring gezocht. Voor 500 Yen konden we daar lekker tussen de blote Japanners in bad. En dat bad was ondertussen best wel nodig. Toen we uit bad kwamen, merkte ik dat het voorportaaltje behoorlijk naar mijn voeten rook. Daarna zijn we maar vast vuur gaan maken om eten klaar te maken. Jaap kwam niet veel later aan en toen we eindelijk genoeg water aan de kook hadden konden we allemaal een bakje noedels eten. Dat was niet erg veel, dus daarna nog maar een pannetje rijst gemaakt. De wind kwam weer flink opzetten, dus was het echt niet meer leuk om buiten te zijn. Daarom hebben we een paar honderd Yen betaald om in een hotel te kunnen tafeltennisen. Daardoor konden we rond negen uur lekker warm naar bed.

Vanochtend (jaja, na 1485 woorden eindelijk bij vandaag aangekomen) hebben we alles weer ingepakt en hebben we de bus terug naar Nikko gepakt, om met te trein terug te gaan naar Tokyo en vanaf daar weer naar Nagano. Daar zitten we nu net in een backpackers hostel. Het is een beetje een oostblok gebouw langs het spoor met meer kapotte dan werkende wc’s – correctie: gaten in de vloer. Maar het is een stuk warmer hier en eten is om de hoek te koop, dus na drie nachten spartaans kamperen hebben we niets te klagen. Zometeen gaan we ergens een biertje drinken en wat te eten zoeken. Het plan voor morgen is bijna klaar.